Infoflash - Bewijs van discriminatie op de werkplek: bevoegdheid van de inspecteurs uitgebreid

Catherine Legardien - Legal Advisor - Partena Professional

Woensdag 14 maart 2018 — Het Sociaal Strafwetboek werd onlangs gewijzigd om aan de sociaal inspecteurs bijzondere bevoegdheden toe te kennen bij het opsporen en vaststellen van ‘discriminerende’ inbreuken. De mogelijkheid voor de sociaal inspecteurs om gebruik te maken van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie treedt in werking op 1 april 2018.

WAT IS HET DOEL HIERVAN?

In tegenstelling tot wat voor de meeste inbreuken op het sociaal strafrecht is voorzien, moet het bijzonder opzet worden bewezen voor discriminerende inbreuken. Dat is vaak erg moeilijk, zo niet onmogelijk.

Daarom kent het Sociaal Strafwetboek voortaan aan de sociaal inspecteurs een ‘bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie’ toe. Onder bepaalde heel strikte voorwaarden zullen ze een onderneming kunnen benaderen door zich voor te doen als (potentiële) klanten of (potentiële) werknemers, om na te gaan of op grond van een beschermd criterium (leeftijd, geslacht, geloofsovertuiging, enz.) gediscrimineerd werd of wordt, zonder dat zij hun legitimatiebewijs moeten voorleggen en hun hoedanigheid moeten meedelen.

CONCREET

De mogelijkheid voor de sociaal inspecteurs om gebruik te maken van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie is onderworpen aan strikte voorwaarden.

Antidiscriminatiewetten

De bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie die aan de sociaal inspecteurs wordt toegekend, kan alleen worden gebruikt om na te gaan of de drie ‘antidiscriminatiewetten’ (en de uitvoeringsbesluiten ervan) op het gebied van de arbeidsverhoudingen wel worden nageleefd.

Het gaat meer bepaald om de volgende wetten:

  • de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie,
  • de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen,
  • de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden.

Specifiek kader

De sociaal inspecteurs hebben de bevoegdheid om, bij objectieve aanwijzingen van discriminatie, na een klacht of een melding, ondersteund door resultaten van datamining en datamatching, zich voor te doen als klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiële werknemers om na te gaan of op grond van een beschermd criterium gediscrimineerd werd of wordt.

Onder datamining verstaan we het gericht zoeken naar verbanden in gegevensverzamelingen met als doel profielen op te stellen voor meer diepgaand onderzoek.

Onder datamatching verstaan we het vergelijken van twee sets van verzamelde data met elkaar.

De uitoefening van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie kan slechts gebeuren na een schriftelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.

De bijzondere bevoegdheid:

  • moet zich beperken tot het creëren van de gelegenheid om een discriminerende praktijk aan het licht te brengen,
  • kan worden uitgeoefend indien het voor de uitoefening van het toezicht noodzakelijk is om de reële omstandigheden die gelden voor gewone klanten, potentiële klanten, werknemers of potentiële werknemers te kunnen vaststellen en indien deze vaststellingen niet op een andere manier kunnen gebeuren,
  • mag niet tot gevolg hebben dat een discriminerende praktijk gecreëerd wordt, terwijl er geen ernstige aanwijzing was van praktijken die men kan bestempelen als directe of indirecte discriminatie.

Alle acties ondernomen tijdens de opsporing en de resultaten ervan worden opgetekend in een verslag en worden meegedeeld aan de arbeidsauditeur of de procureur des Konings.

Kleine inbreuken

Het is de sociaal inspecteurs, belast met de uitvoering van de bijzondere bevoegdheid inzake discriminatie, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.

De sociaal inspecteurs die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan of ter verzekering van hun eigen veiligheid, strikt noodzakelijke strafbare feiten plegen (bv. een valse naam gebruiken) met het uitdrukkelijk en voorafgaand akkoord van de arbeidsauditeur of de procureur des Konings blijven echter vrij van straf. Die strafbare feiten mogen niet ernstiger zijn dan die waarvoor de opsporingsmethode wordt aangewend en moeten noodzakelijkerwijs evenredig zijn met het nagestreefde doel.

 

Bron: wet van 15 januari 2018 houdende diverse bepalingen inzake werk, B.S. 5 februari 2018.